|
Vreemdelingen
met de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Economische
Ruimte (EER), hun echtgeno(o)t(e) of partner en afhankelijke kinderen
hebben recht op het vrije verkeer van werknemers. Dit houdt in dat
zij niet beperkt mogen worden in het verrichten van arbeid in Nederland
en wat dat betreft gelijkgesteld zijn met de reeds in Nederland
gerechtigde arbeidskrachten.
Zij kunnen in Nederland verblijven en arbeid verrichten zolang zij
geen beroep doen op de openbare kas (uitkering Sociale Dienst) of
een bedreiging vormen voor de openbare rust, openbare orde of nationale
veiligheid.
De partner, afhankelijke kinderen en bloedverwanten in de opgaande
lijn van de EER-onderdaan ook al hebben zij zelf niet de nationaliteit
van een van de EER-lidstaten, zijn vrij op de arbeidsmarkt in de
volgende twee situaties:
* de EER-onderdaan werkt in Nederland;
* de EER-onderdaan woont rechtmatig in Nederland.
De niet-EER familieleden zullen een geldig identiteitsbewijs en
een door de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst afgegeven
document (geboorteakte of huwelijksakte) waaruit de familiebetrekking
blijkt, moeten kunnen overleggen.
De
EER-landen zijn:
De landen van de Europese Unie, te weten:
België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland,
Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal,
Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden, aangevuld met Liechtenstein,
Noorwegen en IJsland.
Onderdanen van Zwitserland worden op grond van een verdrag tussen
de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat, gelijkgesteld met EER-onderdanen
en hebben derhalve ook het recht op vrij verkeer van personen (Staatsblad
2001, 432).
Voor onderdanen uit de nieuw toegetreden landen per 1 mei 2004
afkomstig uit Midden- en Oost-Europa (Estland, Hongarije, Letland,
Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië) gelden
beperkende maatregelen. In eerste aanleg zijn zij niet vrij
op de Nederlandse arbeidsmarkt.
terug
naar Startpunten |